Ginette KURGAN-VAN HENTENRYK,
Max-Léo Gérard, Souvenirs pour mes enfants, Bruxelles, Commission royale d’Histoire, 2012, xxxi-203 p. (ISBN 978-2-87044-008-7)
22 €
Samenvatting
Jonas BRAEKEVELT,
Pieter Bladelin, de Rijselse Rekenkamer en de stichting van Middelburg-in-Vlaanderen (ca. 1444-1472): de ambities van een opgeklommen hofambtenaar versus de bescherming van het vorstelijke domein, Brussel, Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2012, CXLV-311 p. (reeks groot in-8°, C22). ISBN 978-2-87044-007-0
32 €
Samenvatting
Daniël VANACKER,
Un mitrailleur à l’Yser. La correspondance de guerre de Jean Pecher 1914-1918, Bruxelles, Commission royale d’Histoire, 2012, V-452 p. (série grand in-8°, C21). ISBN 978-2-87044-009-4
32 €
Samenvatting
Marie-Rose THIELEMANS,
Émile Galet, Conseiller militaire du roi, Journal de campagne 26 octobre 1914 – 11 novembre 1918. Le commandement de l’armée belge et la question de la paix, Bruxelles, Commission royale d’Histoire, 2012, xxi-555 p. (ISBN 978-2-87044-010-0)
34 €
Samenvatting
Twee bijdragen in de Handelingen rapporteerden (1842) en zorgden voor de gedeeltelijke editie (1954) van technische recepten voor -schilders en verluchters, vanaf ca. 1200, die in de Koninklijke Bibliotheek van België worden bewaard (ms. 10147-58). De editie van 1954 liet het f. 26 vo weg, daar het zo goed als helemaal onleesbaar was. Dit document identificeert een reeks parallelle recepten uit Montpellier (ms. H 277, ca. 1350-1400). Dankzij de overeenkomsten kunnen we de inhoud van f. 26 vo reconstrueren. Het Brusselse handschrift blijkt een belangrijke getuige te zijn van een alternatieve teksttraditie van het traktaat van Theophilus over de Romaanse kunst en zijn belang wordt -bevestigd als -waarschijnlijk het vroegste technische document over de kunst uit de Lage Landen.
Deze bijdrage beoogt aan de hand van een zevental rekenkundige documenten uit het archief van de graven van Henegouwen en Holland (1304-1337) licht te werpen op de praktijk van de loondienst aan het hof en in het grafelijke hotel. Een analyse van de in deze documenten gebruikte termen om de personen in loondienst en hun taken te benoemen laat toe een beeld te schetsen van de organisatie van de grafelijke huishouding. In tegenstelling tot wat normatieve teksten zoals hofordonnanties ons voorhouden blijken deze diensten in de realiteit veel minder volgens een welomlijnd stramien gestructureerd te zijn. Ze zijn integendeel heel pragmatisch (on)georganiseerd volgens de veranderende dagelijkse behoeftes van de rondreizende en vaak gescheiden grafelijke familie, de financiële mogelijkheden van het moment en de toevallige beschikbaarheid van de betrokken personen voor het vervullen van één of andere taak. Over een periode van ongeveer 25 jaar tonen deze momentopnames een personeel van heel divers allooi dat multi-inzetbaar en flexibel is, trouw en gewaardeerd door hun werkgevers maar vaak ook heel actief in andere sectoren dan de grafelijke dienst.
Deze bijdrage biedt een kritische uitgave van een reeks lijsten van edelen en notabelen die zijn opgesteld voor de kasselrijen Kortrijk, Waas, Veurne en het Brugse Vrije op uiteenlopende tijdstippen in de vijftiende en zestiende eeuw. Daarnaast wordt ook een lijst uitgegeven die de edelen voor het hele graafschap Vlaanderen opsomt voor 1540-1543. Deze documenten zijn in de eerste plaats van belang voor het onderzoek naar lokale elites in het graafschap Vlaanderen, maar bieden daarnaast ook meer inzicht in de ontstaanscontext van de eerder gepubliceerde “adelslijsten” die het gehele graafschap Vlaanderen bestrijken en voor de mogelijke militaire mobilisatie van edelen moesten dienen. Die “adelslijsten” moeten niet begrepen worden als een illustratie van de administratieve slagkracht van de de Bourgondisch-Habsburgse staat, maar juist als een aanwijzing dat de vorstelijke instellingen afhankelijk waren van de informatie die hen werd toegestuurd vanuit de kasselrijbesturen. Het voortdurende debat over wie van adel was en wie niet werd in belangrijke mate gevoerd in de kasselrijschepenbanken, waarin de gevestigde adel sterk vertegenwoordigd was. Als zodanig zijn de in deze publicatie uitgegeven documenten van grote waarde voor het onderzoek naar sociale hiërarchiseringsprocessen in de premoderne Vlaamse samenleving.
De meeste laatmiddeleeuwse rekeningen van de cautside, de stedelijke plaveidienst van Brussel, zijn verloren gegaan. Tweee 14de-eeuwse documenten ontsprongen om onduidelijke redenen de dans en worden in deze bijdrage integraal uitgegeven. Het betreft een enerzijds rolrekening voor het jaar 1369-1370 en een syntheserekening van de bestuurders van de cautside voor de periode 1372-1379, overgeleverd in de vorm van een soort aanhangsel bij een Brusselse stads-ordonnantie van 22 oktober 1379. Deze documenten bevatten inlichtingen over de werking en werkzaamheden van de cautside zelf, maar zijn ook uitermate interessant voor de studie van de immigratie, de bouwmaterialen en openbare werken.
In het kader van de verovering van het Hertogdom Limburg en zijn toegevoegde gebieden beveelt Filips de Stoute in 1389 een onderzoek inzake zijn rechten en de staat van de vestigingen die hij zojuist heeft verworven. Het document was in de jaren 30 door de historicus Fritz Quicke gepubliceerd. In 1406 laat Antoon van Bourgondië, onlangs hertog van Limburg benoemd, een nieuw onderzoek van de Limburgse kastelen uitvoeren. Deze documenten werden in hun politieke context geplaatst maar bovendien omvat dit artikel een kritische studie van de oorkonde van 1406, evenals een analyse van haar inhoud vanuit het standpunt van de ontwikkeling van de techniek van de belegering van steden.
Wolfgang Cortjaens
Amis gothiques - Der Briefwechsel von August Reichensperger und Jean-Baptiste Bethune, 1858-1891, Brussel, 2011, xxii-239 p.
42 €
Samenvatting