Twee bijdragen in de Handelingen rapporteerden (1842) en zorgden voor de gedeeltelijke editie (1954) van technische recepten voor -schilders en verluchters, vanaf ca. 1200, die in de Koninklijke Bibliotheek van België worden bewaard (ms. 10147-58). De editie van 1954 liet het f. 26 vo weg, daar het zo goed als helemaal onleesbaar was. Dit document identificeert een reeks parallelle recepten uit Montpellier (ms. H 277, ca. 1350-1400). Dankzij de overeenkomsten kunnen we de inhoud van f. 26 vo reconstrueren. Het Brusselse handschrift blijkt een belangrijke getuige te zijn van een alternatieve teksttraditie van het traktaat van Theophilus over de Romaanse kunst en zijn belang wordt -bevestigd als -waarschijnlijk het vroegste technische document over de kunst uit de Lage Landen.
Deze bijdrage beoogt aan de hand van een zevental rekenkundige documenten uit het archief van de graven van Henegouwen en Holland (1304-1337) licht te werpen op de praktijk van de loondienst aan het hof en in het grafelijke hotel. Een analyse van de in deze documenten gebruikte termen om de personen in loondienst en hun taken te benoemen laat toe een beeld te schetsen van de organisatie van de grafelijke huishouding. In tegenstelling tot wat normatieve teksten zoals hofordonnanties ons voorhouden blijken deze diensten in de realiteit veel minder volgens een welomlijnd stramien gestructureerd te zijn. Ze zijn integendeel heel pragmatisch (on)georganiseerd volgens de veranderende dagelijkse behoeftes van de rondreizende en vaak gescheiden grafelijke familie, de financiële mogelijkheden van het moment en de toevallige beschikbaarheid van de betrokken personen voor het vervullen van één of andere taak. Over een periode van ongeveer 25 jaar tonen deze momentopnames een personeel van heel divers allooi dat multi-inzetbaar en flexibel is, trouw en gewaardeerd door hun werkgevers maar vaak ook heel actief in andere sectoren dan de grafelijke dienst.
Deze bijdrage biedt een kritische uitgave van een reeks lijsten van edelen en notabelen die zijn opgesteld voor de kasselrijen Kortrijk, Waas, Veurne en het Brugse Vrije op uiteenlopende tijdstippen in de vijftiende en zestiende eeuw. Daarnaast wordt ook een lijst uitgegeven die de edelen voor het hele graafschap Vlaanderen opsomt voor 1540-1543. Deze documenten zijn in de eerste plaats van belang voor het onderzoek naar lokale elites in het graafschap Vlaanderen, maar bieden daarnaast ook meer inzicht in de ontstaanscontext van de eerder gepubliceerde “adelslijsten” die het gehele graafschap Vlaanderen bestrijken en voor de mogelijke militaire mobilisatie van edelen moesten dienen. Die “adelslijsten” moeten niet begrepen worden als een illustratie van de administratieve slagkracht van de de Bourgondisch-Habsburgse staat, maar juist als een aanwijzing dat de vorstelijke instellingen afhankelijk waren van de informatie die hen werd toegestuurd vanuit de kasselrijbesturen. Het voortdurende debat over wie van adel was en wie niet werd in belangrijke mate gevoerd in de kasselrijschepenbanken, waarin de gevestigde adel sterk vertegenwoordigd was. Als zodanig zijn de in deze publicatie uitgegeven documenten van grote waarde voor het onderzoek naar sociale hiërarchiseringsprocessen in de premoderne Vlaamse samenleving.
De meeste laatmiddeleeuwse rekeningen van de cautside, de stedelijke plaveidienst van Brussel, zijn verloren gegaan. Tweee 14de-eeuwse documenten ontsprongen om onduidelijke redenen de dans en worden in deze bijdrage integraal uitgegeven. Het betreft een enerzijds rolrekening voor het jaar 1369-1370 en een syntheserekening van de bestuurders van de cautside voor de periode 1372-1379, overgeleverd in de vorm van een soort aanhangsel bij een Brusselse stads-ordonnantie van 22 oktober 1379. Deze documenten bevatten inlichtingen over de werking en werkzaamheden van de cautside zelf, maar zijn ook uitermate interessant voor de studie van de immigratie, de bouwmaterialen en openbare werken.
In het kader van de verovering van het Hertogdom Limburg en zijn toegevoegde gebieden beveelt Filips de Stoute in 1389 een onderzoek inzake zijn rechten en de staat van de vestigingen die hij zojuist heeft verworven. Het document was in de jaren 30 door de historicus Fritz Quicke gepubliceerd. In 1406 laat Antoon van Bourgondië, onlangs hertog van Limburg benoemd, een nieuw onderzoek van de Limburgse kastelen uitvoeren. Deze documenten werden in hun politieke context geplaatst maar bovendien omvat dit artikel een kritische studie van de oorkonde van 1406, evenals een analyse van haar inhoud vanuit het standpunt van de ontwikkeling van de techniek van de belegering van steden.
Op 16 november 932 wijdde de Luikse bisschop Richer een altaar aan de Heilige Drievuldigheid in de Sint-Lambertuskathedraal van Luik dat hij rijkelijk begiftigde. Hij stelde deze beslissing te boek. Het stichtingscharter is tot vandaag overgeleverd in de vorm van een geïsoleerde historische kopie die is opgenomen in de Gesta episcoporum Tungrensium et Leodiensium van de Luikse kanunnik Anselmus. In dit artikel wil de auteur het belang van dit document onderstrepen, zowel voor de geschiedenis van de Luikse kanselarij als voor de geschiedenis van de Karolingische religieuze hervorming in Lotharingen. Het artikel heeft als bijlage een nieuwe kritische editie van dit document, opgesteld op basis van een confrontatie van zeven kopieën die in twee klassen zijn verdeeld volgens een typologie die verschilt van die van R. Koepke, uitgever van de kroniek van Anselmus voor de Monumenta Germaniae Historica.
Wegens de vele politieke beslommeringen aan het hof van de Franse koning Karel VI besliste Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, om zijn neef en vertrouweling Willem van Namen, heer van Béthune, door middel van een benoemingspatent van 31 augustus 1387 te benoemen tot landvoogd van Vlaanderen, Antwerpen en Mechelen. Daarnaast liet de hertog door zijn Bourgondische kanselarij een informele nota opstellen waarin de bestuurlijke, juridische en militaire bevoegdheden van de gouverneur minutieus werden opgelijst en afgebakend. Deze instructies en voorschriften illustreren de bezorgdheid van de hertogelijke regering in het politiek woelige graafschap Vlaanderen en de uitgesproken wens om de problemen zoals het favoritisme bij magistraatsverkiezingen of de fraudepraktijken bij vorstelijke ambtenaren krachtdadig aan te pakken. De Bourgondische gouverneur werd ook opgedragen om te bemiddelen in talloze belangenconflicten en op te treden tegen het algemene verzuim van militaire en civiele taken en tegen het streven van de Vlaamse onderdanen voor meer politieke autonomie. Op deze manier biedt dit tijdsdocument een unieke inkijk in de bureaucratische mechanismen van de ontluikende Bourgondische staat.
De “Henegouwse tuintjes” (jardinets de Hainaut) stellen het bewuste graafschap op heraldische wijze voor. Dergelijke voorstellingen kunnen verscheidene vormen aannemen: toneelmatige enscenering, gedicht, gravure enz. Dit artikel beschrijft de traditie van de “tuintjes”, van hun oorsprong tijdens de 14de-15de eeuw tot het einde van het ancien régime. De uiterst gecodificeerde structuur van deze heraldisch-politieke voorstelling van een vorstendom wordt bestudeerd met de bedoeling haar bestaansreden en betekenis te verduidelijken. Vervolgens worden enkele typische voorbeelden besproken. Daarbij wordt speciale aandacht besteed aan voorstellingen van de inhuldiging van de graven van Henegouwen, gecombineerd met tekstuitgaven.
Hoewel de sinds 1458 afzonderlijk opgestelde artillerierekeningen van de Bourgondische hertogen op één uitzondering na (Algemeen Rijksarchief, Brussel) verloren zijn gegaan, bevatten de Rijselse Archives départementales du Nord een indrukwekkend aantal documenten ontstaan bij het dagelijks beheer van het wapen. De regering van Karel de Stoute lijkt bijzonder goed vertegenwoordigd, wat waarschijnlijk, en op zijn minst deels, te danken is aan diverse beschuldigingen van corruptie en geldverduistering waarmee zijn ontvanger te kampen kreeg. Hoe dan ook tonen de hier uitgegeven documenten - slechts een selectie uit dit rijke geheel - een prins die druk in de weer was om zijn artillerie te vernieuwen. Dat niet alles van een leien dakje liep, hoeft ons niet te verbazen. Aangekaart vanuit de invalshoek van het administratief en bestuurlijk proces geven de documenten een beeld van de manier waarop de prins en zijn artilleriestaf te werk gingen. Andere mogelijke invalshoeken zijn: economie, financiën, militaire techniek, legerorganisatie, prosopografie, etc. Een voorsmaakje van de rijkdom van dit nog weinig bestudeerde bronnenmateriaal…
Claude Bruneel, La pratique du théâtre à Lessines et dans les campagnes du Hainaut septentrional. L’interdiction des autorités en 1786-1788, p. 155-181.
In Henegouwen leken theatervoorstellingen die de landelijke jeugd na 1760 organiseerde in de smaak te vallen bij het publiek. Meestal konden ze ook op de goedkeuring rekenen van de lokale overheden. Wanneer de kwestie echter aanhangig werd gemaakt bij de voogdijoverheid, de fiscaal advocaat, de provincieraad en de centrale regering, waren dit stuk voor stuk overtuigde voorstanders van een verbod op dit soort vermaak. Vaak werd verwezen naar de bezorgdheid om de veiligheid en de openbare orde. Overbodige uitgaven, het risico van dure processen, het gevaar voor de maatschappelijke orde daar dienstboden hun meesters zouden chanteren om de voorstellingen te kunnen bijwonen…, het waren allemaal argumenten die ook relevant werden geacht. De brede waaier aan bezwaren steunt op een diepgewortelde overtuiging, nl. de zinloosheid van de praktijk. Wat echter als schadelijk werd gezien voor de plattelandsbevolking, leek wel een noodzaak voor stedelingen, zo oordeelde de private raad, die zelfs voorstelde om de voorstellingen voort te zetten tijdens de vasten. De paradox is slechts schijnbaar: opnieuw wordt de beslissing ingegeven door het begrip ‘opportuniteit’. In een stad als Brussel is het theater een geschikt afleidingsmiddel om een onrustige jeugd te beschermen tegen gevaarlijker bekoringen. Het biedt ook het middel om buitenlanders, vooral Engelsen, aan te trekken en hen ertoe te bewegen zich in de hoofdstad te vestigen, wat de lokale handel zeer ten goede komt, in afwachting van de opening van het kuurseizoen in Spa.
Deze bijdrage geeft vooreerst duiding bij de consultatie van de notulen (1892-1940) van de centrale bestuursinstanties van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Een unieke bronnenreeks die na digitalisering via het internet ter beschikking gesteld wordt voor historisch onderzoek.
De archivalische toelichting met studie van het functioneren van het Bureau en de Algemene Raad van de BWP moet de gebruiker inzicht geven in de institutionele ontwikkeling van de socialistische partij vóór Wereldoorlog II. Een administratieve geschiedenis die tot nu toe merkwaardig onderbelicht is gebleven.
De verslagen bieden een vrij volledig en indringend beeld van het intern functioneren van de BWP. De bron is op zijn sterkst in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog en na 1933 (als gevolg van stenografische verslaggeving). Maar het betreft in het algemeen een eersterangsbron voor de studie van de werking van een politieke partij van het sociaaldemocratische type.
Vergaderingen en verslagen 2010, p. 265-331.
Chancelleries princières et Scriptoria dans les anciens Pays-Bas.
Xe - XVe siècles
Vorstelijke kanselarijen en Scriptoria in de Lage Landen.
10de - 15de eeuw
Inhoudstafel
- Zin en nut van het diplomatisch onderzoek in de 21e eeuw.
Les mérites de la Commission royale d’histoire
par / door Walter Prevenier (p.7)
- Sense and usefulness of diplomatic research in the 21st century.
The Merits of the Royal Historical Commission
by Walter Prevenier (p.13)
- Van scriptorium tot kanselarij
Du scriptorium à la chancellerie (p.19)
Monastères et scriptoria en Lotharingie (ixe - xe siècles)
par Jens Schneider (p.21)
Van privaatoorkonde tot vorstelijke oorkonde. De oorkonden van de eerste graven van Vlaanderen, inzonderheid voor de Sint-Pietersabdij te Gent (10de-11de eeuw)
door Georges Declercq (p.41)
Collectieve identiteit, sociaal gedrag en monastieke memoria in het liber traditionum van de priorij van Saint-Georges te Hesdin (1094 - circa 1185)
door Steven Vanderputten (p.79)
- Chancelleries épiscopales et chapitres cathédraux
Bisschoppelijke kanselarijen en kathedraalkapittels (p.113)
La « chancellerie » des évêques de Liège (xe - xiie siècles)
par Jean-Louis Kupper (p.115)
Chancellerie épiscopale, chancellerie canoniale :
unicité ou pluralité des institutions à Cambrai au xiie siècle ?
par Nathalie Barr (p.129)
L’élaboration des chartes épiscopales à Thérouanne au xie siècle
par Benoît-Michel Tock (p.147)
De bisschop, de heren en de stad. Het oorkondewezen in Utrecht
circa 1250 - circa 1320
door J.W.J. Burgers (p.187)
- Vorstelijke en heerlijke kanselarijen
Chancelleries princières et seigneuriales (p.217)
Actes princiers et naissance des principautés territoriales : chartes et pouvoirs laïques dans les espaces mosan et mosellan (fin xe - début xiie siècles)
par Michel Margue (p.219)
Actes princiers et naissance des principautés territoriales :
du duché de Basse-Lotharingie au duché de Brabant
(xie - xiiie siècles)
par Alain Dierkens et David Guilardian (p.243)
La chancellerie comtale en Flandre et en Hainaut sous Baudouin VI/IX (1195-1206) et pendant la régence de Philippe Ier de Namur (1206-1212)
par Els De Paermentier (p.259)
Des seigneurs sans chancellerie ? Pratiques de l’écrit documentaire chez les comtes et les barons du nord de la France aux xiie-xiiie siècles
par Jean-François Nieus (p.285)
- Organisation : personnel et gestion
Organisatie : personeel en beheer (p.313)
Trois clercs de chancellerie hennuyers au service des comtes de Hainaut, Hollande et Zélande (1299-1345) : au centre d’une réforme administrative ?
par Valeria Van Camp (p.315)
Meten is weten ? De toepassing van het Groningen Intelligent Writer Identification System (giwis) op Hollandse kanselarij-oorkonden, 1299-1345
door Jinna Smit (p.343)
Bewaren of weggooien ; afschrijven of verplaatsen.
Het papieren cartularium van de graven van Holland en Zeeland en de politieke en ambtelijke zorg voor het grafelijke archief in 1299
door Eef Dijkhof (p.361)
Enquête sur l’impact de l’incendie de 1185 sur les archives de la cathédrale Saint-Lambert de Liège et sur la rédaction d’un premier cartulaire
par Alexis Wilkin (p.381)
Archives, archivage et archivistique à la collégiale de Saint-Omer à la fin du xve siècle à la lumière d’un inventaire de 1480
par Jean-Charles Bédague (p.415)
- Conclusion
Conclusie (p.459)
Nouvelles tendances dans la recherche sur les scriptoria et chancelleries dans les anciens Pays-Bas : résultats et perspectives.
Nieuwe tendensen in het onderzoek over scriptoria en kanselarijen in de Lage Landen : resultaten en perspectieven
door / par Thérèse de Hemptinne (p.461)
New trends in research on scriptoria and chanceries in the Low Countries : results and perspectives
by Thérèse de Hemptinne (p.471)
Deze publicatie schetst de kenmerken van ‘geletterd verzet’ in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stad. Aan de hand van drie in bijlage uitgegeven schriftstukken van Brugse en Gentse opstandelingen uit het laatste kwart van de vijftiende eeuw en hun overlevering in de vroege zestiende eeuw gaat dit artikel na waarom opstandige ambachten en stedelijke middengroepen naar de pen grepen, welke teksten ze produceerden, en hoe deze schriftstukken de basis vormden voor een specifieke politieke herinneringscultuur in de toenmalige samenleving. Uit de studie ervan blijkt dat opstandelingen afkomstig waren uit politiek zelfbewuste groeperingen die eigen ‘geletterde’ methodes en geschreven middelen aanwendden om hun politieke strijd te stofferen met argumenten, te rechtvaardigen en de herinnering eraan levend te houden. Met behulp van literatuur benadrukten ambachten en middengroepen hun groepsidentiteit, en rechtvaardigden ze politieke standpunten. Het voor hen kenmerkende corporatieve gedachtegoed dat ijverde voor de instandhouding van verworven rechten en voor inspraak in beleid, werd via afschriften en lectuur doorgegeven aan opeenvolgende generaties. Niet alleen de stedelijke elite, maar dus ook ambachten en middengroepen hadden in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stad een gesofisticeerd politiek bewustzijn dat te schrift werd gesteld.
Karel Velle
Preface (p. 57-58) ![]()
Ludo Milis
Information Technology, warden of our past ? (p. 59-64) ![]()
Donald Haks
Quantity, quality and the public. The electronic edition of historical sources (p. 65-76) ![]()
Martin Haltrich, Franz Lackner, Marianne Pollheimer & Herrad Spilling
Die Handschriften und Fragmente der Karolingerzeit in österreichischen Bibliotheken (p. 77-93) ![]()
Jonathan Blaney & Jane Winters
The British History Online digital library : a model for sustainability ? (p. 95-106) ![]()
Florence Clavaud
Les éditions électroniques de l’Ecole nationale des Chartes : objectifs, prinicpes, outils et perspectives (p. 107-120) ![]()
Isabelle Draelants
Les sources mises en ligne par des médiévistes à l’Université de Nancy (p. 121-150) ![]()
Jeroen Deploige, Bert Callens, Philippe Demonty & Guy De Tré
Remedying the obsolescence of digitised surveys of medieval sources. Narrative Sources and Diplomata Belgica » (p. 151-166)
Dit jubileumnummer van de Handelingen van de KCG bevat een overzicht van de activiteiten van de Commissie gedurende de afgelopen
vijfentwintig jaar (Claude Bruneel, "De KCG in de laatste vijfentwintig jaar", p. 37-66), alsook de biografische notities van de
leden die overleden zijn gedurende die periode en van diegenen die momenteel in functie zijn (p. 67-159). Verder heeft ieder lid van de
Commissie in dit nummer een originele studie gepubliceerd, namelijk de kritische editie van een onuitgegeven bron over de Belgische
geschiedenis.
Henri Haag, Signification du traité de garantie du 19 avril 1839, d’après Léon Arendt,
p. 161-183.
In tegenstelling tot bepaalde opinies beweren wij dat België vóór 1914 een welomlijnd en doordacht buitenlands beleid
voerde. Dit beleid was gebaseerd op zowel de verdragen van 1831 en 1839 als op het garantieverdrag van 19 april 1839. De trouw van de
grote mogendheden aan de verbintenissen die ze in 1839 waren aangegaan, werd door de Belgische regering lang als twijfelachtig aangezien.
Deze onzekerheid nam nog toe toen er in 1904 er een akkoord gesloten werd tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. In het geval van een
algemene oorlog in Europa zou België hierin noodzakelijk meegesleurd worden. Wat moest er gedaan worden om te voorkomen dat
Frankrijk en Groot-Brittannië uitsluitend in hun eigen belang zouden handelen, zonder voldoende rekening te houden met onze rechten?
Dit was volgens ons de grootste zorg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de vooravond van de oorlog van 1914.
Raoul C. Van Caenegem, De keure van Sint-Omaars van 1127 : een politiek document, p. 185-202.
De keure van 14 april 1127, door Willem Clito, graaf van Vlaanderen, verleend aan de stad Sint-Omaars werd reeds herhaaldelijk
bestudeerd als bron voor de rechtsgeschiedenis. Hier wordt ze onderzocht als een politiek document. Graaf Willem en de commune van
Sint-Omaars hadden uiteenlopende ambities, zoals o.m. blijkt uit de artikelen over de rol van de schepenbank en de gezworenen, de
inkomsten uit de grafelijke Munt of de algemene verplichting, ook voor de graaf, om de wet na te leven. De auteur formuleert tot
besluit enkele kritische bemerkingen bij de Franse vertaling van 1789 en de Engelse van 1982 en legt zijn eigen Nederlandse
vertaling voor van de volledige oorspronkelijke Latijnse tekst.
Reginald De Schryver, Koning Albert over zijn « Reis naar Parijs », 1-5 april 1919, ter ondersteuning van
de Belgische verlangens en belangen op de vredesconferentie,
p. 203-212.
Op verzoek van minister van Buitenlandse Zaken Paul Hymans begaf koning Albert zich begin april 1919 naar Parijs waar het
vredesverdrag van Versailles werd voorbereid. Opzet van de koninklijke reis was met een aantal geallieerde politieke leiders vooral
vier voor België bijzonder belangrijke kwesties te bespreken:
De belangrijkste gesprekpartners van koning Albert waren Poincaré, Clemenceau, Lloyd George, Balfour, President Wilson.
Jean-Jacques Hoebanx (†), Ordonnance pour la vendicion des Bois de Nivelle pour l’an 1587, p. 213-223.
Bossen en wouden zijn voor hun eigenaars een patrimonium dat moet worden beschermd. Dat gold onder meer voor sommige bossen in
Waals-Brabant die toebehoorden aan het kapittel van Nijvel en aan de hertogen van Brabant.
Diverse ordonnanties hebben betrekking op deze bossen. Eén daarvan, de ordonnantie van 1587, handelt over de ontginning van de
bomen die er worden gekapt en over hun wijze van verkoop.
Walter Prevenier, Vorstelijke genade in de praktijk. Remissiebrief voor Matthieu Cricke en diens mede-acteurs voor
vermeende vrouwenroof in oktober 1476, slechts geïnterneerd na kritische verificatie door de raadsheren van het Parlement
van Mechelen, p. 225-258.
In oktober 1475 verleent de Bourgondische hertog Karel de Stoute genade aan theaterspeler Mathieu Cricke en diens medeacteurs,
gevangen gezet na klacht van de Mechelse burgerman Jan van Musene voor vrouwenroof, in de persoon van diens maîtresse, actrice
en gewezen prostituee Maria van der Hoeven. Cricke en de zijnen leggen hun remissiebrief voor aan het Hof van het Parlement
van Mechelen, met het oog op ratificatie (interinement) ervan, doch Van Musene en de zijnen tekenen hiertegen verzet aan. Om de
echtheid van het vermeende misdrijf en de gegrondheid van het verzet te toetsen, starten de raadsheren van het Parlement een
door de procedure voorziene grondige ‘inqueste’. Niet minder dan achttien ooggetuigen van de gebeurtenissen in Diest,
Gempe en Leuven worden opgespoord en kritisch ondervraagd. Het uiteindelijke vonnis geeft bevel tot ratificatie en uitvoering van
de genademaatregel. Cricke en zijn medeverdachten worden vrijgesproken van vrouwenroof, maar wel veroordeeld voor de ondergeschikte
klachten van fysiek en verbaal geweld op Van Musene en de zijnen. Het innen van de daar bijbehorende boete sleept jaren aan, doordat
geen enkele deurwaarder het aandurft de achterstallen te gaan opeisen bij de als sociaal gevaarlijk bestempelde leden van Cricke’s
groep. De aanwezigheid in deze casus van vier uiteenlopende types van teksten (genadebrief, verzoek tot ratificatie, ‘inqueste
’ en betalingen van de boete) heeft het methodologisch voordeel concreet aan te tonen hoe een genademaatregel gefaseerd is en
gerelativeerd moet worden. Genade verlenen is weliswaar een exclusief voorrecht van de vorst, vrij en zonder beperking. De juridische
en politieke opportuniteit van uitvoering is evenwel afhankelijk van de toetsing der feiten door een van de hogere vorstelijke
gerechtshoven. De vele tegenstrijdigheden over dezelfde gebeurtenissen tussen de uitspraken van de betrokken partijen en van de talrijke
ondervraagde getuigen, en de contradictorische standpunten van de rechters en de vorstelijke ambtenaren, bieden een unieke kans tot
scherper inzicht in ideologische opvattingen, sociale gedragspatronen, en de impact van netwerken in de 15de eeuw.
Ludo Milis, Getuigenverhoren als aanloop tot een proces. Elementen uit het Mechelse strafdossier tegen Jan Schuermans,
pastoor van Ename, in het midden van de zeventiende eeuw, p. 259-265.
In dit artikel worden enkele getuigenverklaringen uitgegeven die afgenomen werden van vrouwen betrokken in een seksueel schandaal in
1648. Tijdens de feesten naar aanleiding van de afkondiging van de Vrede van Münster had pastoor Jan Schuermans van Ename (bij
Oudenaarde) een meisje verleid dat zwanger werd en een kind baarde. Het bleek dat hij nog andere vrouwen lastig had gevallen. Het
schandaal leidde tot een proces dat voor de officialiteit van het aartsbisdom Mechelen werd gevoerd. De veroordeling die volgde, zou
Schuermans levenslang blijven achtervolgen.
Claude Bruneel, Sous le souffle de Paris : les Pays-Bas autrichiens au lendemain du 14 juillet 1789,
p. 267-320.
Alleen al afgaand op de pers uit die tijd, wekten de gebeurtenissen die zich in 1789 in Frankrijk voltrokken grote belangstelling in
de Oostenrijkse Nederlanden. De opkomst van de Staten-Generaal en zijn vervolg wekten de nieuwsgierigheid en zelfs het enthousiasme van
sommige intellectuelen. Over de inname van de Bastille werd er minder gesproken. Aan de hand van het archief van het ‘Comité
secret’, dat binnen de Algemene regeringsraad was opgericht, kan men bijna dag na dag de evolutie volgen van de publieke opinie in
de verschillende delen van het land. Het archief werpt ook licht op de zowel officiële als offi-cieuze informatiekanalen van de
centrale overheid. In de grote steden begonnen sommigen ervan te dromen het voorbeeld van de Parijzenaars te volgen, daartoe gedreven
door de duurte van het graan en de sociale tegenstellingen die op de spits werden gedreven. In kleinere steden en op het platteland
evolueerden de gevoelens van passie naar onverschilligheid, ook al had de zin voor materiële belangen steeds de bovenhand.
Natuurlijk waren de grensgebieden het meest blootgesteld. Daar maakten de lokale overheden zich zorgen over de introductie van kokardes
of over de komst van een grote menigte luidruchtige Fransen, die echter vreedzame kopers bleken te zijn van levensmiddelen die ze bij hen
niet meer vonden. Ook geruchten zonder enige grond van waarheid deden de ronde, waardoor er tijdelijk vluchtelingen op de wegen te zien
waren. Het waren lokale boeren en monniken uit de omgeving die bang waren voor het geweld en de plunderingen van hele troepen vagebonden
ie zogezegd uit Parijs kwamen. De uit Frankrijk afkomstige koorts ging echter al snel weer liggen en de problemen die eigen waren aan het
land, trokken opnieuw de aandacht. Een Frans diplomaat voorspelde: ‘De revolutie van de Lage Landen is nakend.’
Jean-Louis Kupper, Aux origines de la cité de Liège. Sur deux chartes inédites de 1171 et 1266,
p. 321-342.
Bij gebrek aan voldoende documenten die bovendien duidelijk genoeg moeten zijn, bezitten we nog steeds weinig inzicht in de ontwikkeling
van de stad Luik op basis van een oorspronkelijke ‘prestedelijke kern’. Terwijl het bestaan van een ‘nieuwe
koopmansburg ’ of novus vicus voldoende geattesteerd is en de ligging ervan duidelijk is bepaald, heerst er
onduidelijkheid over de ligging van de vetus vicus of ‘oorspronkelijke burg’.
Deze studie heeft tot doel aan te tonen dat de ‘oude burg’ in werkelijkheid overeenkomt met de parochie van
Saint-André-sur-le-Marché en dat het bestaan ervan zou dateren van de 9de of 10de eeuw.
Jean-Marie Duvosquel, Le tarif du tonlieu et du winage de Comines établi en 1354 et son renouvellement en 1542, p. 343-370.
De stad Komen, in het graafschap Vlaanderen, nam in de 14de eeuw op commercieel vlak een strategische plaats in: daar
eindigde immers de weg van Ieper die de lakenstad, die een haven ontbeerde, via de Leie verbond met het Scheldebekken. Daar ook passeerde
al het verkeer in deze regio – komende van Rijsel via de Deûle en in de richting van Gent reizend of omgekeerd – het
‘gat van Komen’, voorouder van onze sluizen. Het goederenverkeer was zo belangrijk dat de heer van Komen de invordering van
de rechten van winage (verkeer) en standgeld (verkoop) in leen gaf. Naar aanleiding van een conflict werd in 1354 een nieuw tarief
vastgesteld in onderling akkoord tussen de heer en de leenhouder (die belast was met het onderhoud van de havens) enerzijds en de stad
(verantwoordelijk voor de wegen) anderzijds, nadat onderzoek was verricht naar de praktijken in Rijsel, Menen en Waasten. Alles wat
betrekking had op de lakennijverheid bekleedde natuurlijk een belangrijke plaats in dit tarief.
Jean-Marie Cauchies, La confection d’un privilège pour le chapitre Saint-Ursmer de Binche (1458), p. 371-385.
Een verzoekschrift op papier van het kapittel Saint-Ursmer in Binche aan Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van
Henegouwen, lag rechtstreeks aan de basis van de minuut van een hertogelijke akte, die elders bekend is. Aantekeningen in de rand maken
het bovendien mogelijk om het proces van totstandkoming van die akte te reconstrueren. Uit doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen
blijkt hoe de tekst van de kanunniken werd verwerkt en aangepast door de personen die belast waren met de redactie van de akte, zowel
aan het hof als bij de kanselarij. Het beoogde doel is de vermeende gerechtelijke immuniteit van de gemeenschap van Binche ten opzichte
van alle geestelijke en wereldlijke rechters. Het dossier bevat ook de minuut van een brief van Filips de Goede aan de bisschop van
Kamerijk betreffende de naleving van dit privilege. De bewaarde documenten illustreren in de eerste plaats een handelwijze en een zorg
om een woordgebruik vanwege de overheden en de uitvoerders die betrokken waren bij de uitvoering van het werk.
Guy Vanthemsche, Britse diplomaten en Belgische hofintriges (oktober 1939). Enkele documenten over de aanloop naar
de Koningskwestie, p. 387-412.
In september en oktober 1939 was de Belgische binnenlandse en buitenlandse politieke toestand bijzonder bewogen. Enkele onuitgegeven
documenten bewaard in het archief van het Britse Foreign Office (National Archives, Londen) werpen nieuw licht op bepaalde episodes
van die cruciale periode. Ten eerste betreffen ze een vermeend plan, uitgedacht in hofkringen, om de zittende regering-Pierlot aan de
dijk te zetten. Ten tweede handelen ze over de door sommigen nefast geachte invloed die generaal van Overstraeten, militair raadgever
van koning Leopold III, in diezelfde hofkringen uitoefende. Een politieke oudgediende, ex-Premier Charles de Broqueville, wilde de
Britse autoriteiten inschakelen om de Belgische vorst ertoe aan te zetten de generaal te ontslaan.
Claude de Moreau de Gerbehaye, Une dépêche cryptée adressée au gouverneur luxembourgeois de
la forteresse de Montmédy (1637), p. 413-446.
In het begin van de 17de eeuw was het uiterste zuiden van de Spaanse Nederlanden bezaaid met kleine forten langs de grens
met het hertogdom Bar en een krans van neutrale gronden en onverdeelde enclaves. De regering van Richelieu, een vergangsregering tussen
de godsdienstoorlogen en het expansio-nisme van Lodewijk XIV, wilde vrede stichten langs de kwetsbare grens van de Champagne, aan
weerskanten van de Maas, de intrigerende naburige vorsten (Lotharingen-Bar, Bouillon-Sedan, Verdun enzovoort) neutraliseren en zo
nodig aanpalende gebieden annexeren die ze in een kwetsbare situatie zouden plaatsen.
In deze context kwam het zuiden van het hertogdom Luxemburg terecht in een zodanige situatie van onveiligheid dat de burchtgouverneurs
gebruik maakten van gecodeerde berichten. De uitgegeven tekst, die vrij onbewerkt is, vervolledigt en vult in de grote lijnen de
informatie aan die afkomstig is uit de verhalende en boekhoudkundige bronnen over de campagne van de maarschalk van Châtillon in
1637 en voegt er de pathetische toets van de angst voor onderschepping aan toe.
Gustaaf Janssens, Het “politiek testament” van de hertog van Alva: aanbevelingen voor don Luis de
Requeséns over het te voeren beleid in de Nederlanden (Brussel, 2 december 1573), p. 447-474.
Op 2 december 1573, enkele dagen voor zijn vertrek uit de Nederlanden, stelde de hertog van Alva ten behoeve van zijn opvolger Luis de
Requeséns een memorandum op. Dit stuk, dat in bijlage bij deze bijdrage wordt gepubliceerd, verwoordt de visie van de hertog over
het te voeren beleid in de Nederlanden en laat toe zijn optreden als landvoogd beter te begrijpen.
Jozef Van Loon, De Vita Landoaldi (anno 980) als prosopografische en historische bron, p. 475-507.
Sedert Oswald Holder-Egger in 1888 een vernietigend oordeel over de historische waarde van de Vita Sancti Landoaldi uitsprak,
zijn alle latere auteurs hem daarin zonder meer gevolgd. Uit een nieuwe analyse van de originele tekst van de vita blijkt dat de daarin
meegedeelde gegevens betrouwbaarder zijn dan tot dusver is aangenomen en een nieuw licht werpen op de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van
Wintershoven en van het Bisdom Luik. Een nauwkeurige tekstlectuur laat tevens zien dat Notker en Heriger niet zelf het initiatief tot
het schrijven van de vita hebben genomen maar dat slechts aarzelend hebben gedaan, wellicht gevolg gevend aan hogere politieke belangen.
Herman Van Goethem, In de spiegel van politieverslagen. De Antwerpse Jodenrazzia van 15-16 augustus 1942, p. 509-540.
De Belgische secretarissen-generaal stemden in het najaar van 1940 principieel in met de medewerking van de Belgische overheden aan de
discriminatoire anti-Joodse nazi-regelgeving. In het verlengde daarvan werkte de Antwerpse politie in augustus-september 1942 op formeel
bevel van hoofdcommissaris De Potter mee aan massale Jodenrazzia’s. In dit artikel analyseren we de eerste razzia, van 15-16
augustus. Het blijkt dat sommige agenten zich bij de uitvoering erg laks opstelden, anderen werkten met veel overtuiging mee.
Een analyse van het verslag van de adjunct-commissaris van de 6de wijk toont aan dat het om een zeer minimalistische weergave van de
feiten ging. De ambtenaar wilde vooral zijn verantwoordelijkheid indekken. Anderzijds werden ook in de rand van de razzia verslagen
opgesteld. In hun globaliteit laten ze duidelijk blijken dat het om een zeer gewelddadige gebeurtenis ging. Burgemeester Delwaide en
procureur des konings Baers waren dan ook degelijk ingelicht over wat er zich afgespeeld had in de nacht van 15 op 16 augustus.
Bruno Demoulin, La France et les Pays-Bas autrichiens à l’aube du XVIIIe siècle, p. 541-553.
De instructies (1728) bestemd voor de heer Chaillon de Jonville, eerste Franse officiële vertegenwoordiger te Brussel in de
18de eeuw, werpen een nieuw licht op het beleid van Versailles ten aanzien van de Oostenrijkse Nederlanden. De opmerkelijke
voortzetting van de Franse diplomatie vanaf de 18de eeuw tot op heden ten aanzien van zijn noordelijke buur moet onderstreept
worden, afgezien natuurlijk van de periode tussen 1795 en 1815.
Valérie Piette, Vivre la guerre 14-18. Vivre l’exil. Le journal de Marguerite de Villers Grand Champs, p. 555-594.
Het dagboek van barones Marguerite de Crombrugghe de Looringhe, echtgenote van Villers Grand Champs, biedt een zeldzame kijk op
de Eerste Wereldoorlog. Dit dagboek, geschreven van juli tot december 1914, dompelt ons onder in het dagelijks leven van een
aristocratische familie die al gauw zou worden getroffen door de oorlog en al zijn verschrikkingen. Geboorte en leven gaan er hand in
hand met de dood, vrees en angst. Terwijl de Duitse legers oprukken, vlucht de familie de Crombrugghe naar de kust, in de hoop naar
Engeland te kunnen ontkomen. Dat lukte echter niet en de familie moest aan de kust verblijven. We krijgen vervolgens een beschrijving
van de vele listen om onderdak of eten te vinden, nieuws in te winnen over dierbaren, aan geld te geraken… Samen met haar
jonge kinderen voegt Marguerite zich bij haar man Henry de Villers in Engeland en laat ze ons delen in het verhaal van de Belgische
ballingen.
Jo Tollebeek, Een schooljongen op straf. Brieven van Karel van de Woestijne aan Gustave van de Woestijne, p. 595-634.
Deze editie omvat vijf brieven die de dichter Karel van de Woestijne in 1918-1919 schreef aan zijn in Engeland verblijvende broer, de
schilder Gustave van de Woestijne. Ze zijn afkomstig uit het Archief Gustave van de Woestijne dat in het Universiteitsarchief van de
K.U.Leuven wordt bewaard. De brieven tonen twee zorgelijke broers: hoe de oorlog te boven komen? Tegelijkertijd echter wordt ook licht
geworpen op de artistieke preoccupaties van de beide broers: Karel van de Woestijne reflecteert op zijn isolement in België en
evalueert het eigen literaire werk, het oeuvre dat zijn broer in Britse ballingschap heeft gemaakt en de creaties van andere kunstenaars,
uit de eigen Latemse groep van weleer of van de jongere generatie. Naast deze vijf brieven bevat deze editie ook een uit 1915 daterende
brief van de jongere broer Maurice van de Woestijne aan Gustave van de Woestijne, waarin onder meer de politieke positie van Karel van
de Woestijne in deze oorlogstijd wordt besproken.
Jean-Marie Yante, Draps brabançons et conduit des foires de Champagne. À propos d’un acte de 1340, p. 635-654.
In 1340 organiseerden de wachters en de kanselier van de jaarmarkten van Champagne en Brie de schadeloosstelling van de kooplieden van
Dijon en Milaan die waren beroofd van hun Brabantse lakens door toedoen van de heren van Apremont in Marbotte, in de streek van de
Haute-Meuse. De graaf van Bar, houder van het hoge geleide, wordt gedeeltelijk aansprakelijk gesteld voor een over zeven jaar gespreide
terugbetaling. De akte werpt een welgekomen licht op het geleide van de jaarmarkten, een pijler van deze bijeenkomsten in de Champagne,
op de plaats van het Brabants textiel tijdens de laatste periode van deze ontmoetingen en op de activiteit van het handelskoppel
Dijon-Milaan, opmerkelijk wegens de duur en de veelvormige aard ervan. 
Steven VANDERPUTTEN editeert op basis van een 17de-eeuwse kopie een kroniek in het Middelnederlands die behoort tot het genre van de gesta episcoporum: Het turbulente verleden van de Luikse prinsbischoppen door de ogen van een inwoner van het oude graafschap Loon: de Chronijk van Luyk, toegeschreven aan Petrus Treckpoel (1442-circa 1507-8), p. 5-88. Dit relaas is het werk van een inwoner van het graafschap Looz: van Petrus Treckpoels (1442-1506?) zelf of in ieder geval van een nauwe verwant. De auteur biedt een heel persoonlijk oordeel over feiten die hij selecteert tijdens de opeenvolgende bewindsperiodes van de prins-bisschoppen van Luik tot in 1506. Het gaat om feiten van regionaal belang die stuk voor stuk tot doel hebben de constante spanningen te illustreren die heersten tussen de opstandige Luikenaars en het legitieme bewind. De commentaar is moraliserend en is overigens doordrongen van een zekere naïviteit.
José Eloy HORTAL MUÑOZ, La visión de un ministro « castellanista » sobre la situación de los Paises Bajos al final del siglo XVI : los « advertimientos » de Esteban de Ibarra , p. 89-166. Deze laatste, raadgever en eerste secretaris van het Secretariaat van Staat en Oorlog, was nauw betrokken bij de staatszaken van de Lage Landen. In 1596 stelde hij zijn ervaring ten dienste van aartshertog Albrecht en stelde hij een dossier samen dat vandaag wordt bewaard in het Archief van Simancas. De auteur heeft daar vier stukken uit gehaald die hij editeert. Ze schetsen het portret van de leden van de collaterale raden en van andere belangrijke figuren die bij het bestuur van de Staat betrokken waren.
Henri HAAG, Le mémoire de Léon Arendt et les Conseils des ministres d’août 1914, p. 167-257, biedt een interpretatie van de toetreding van België tot de oorlog die afwijkt van de klassieke zienswijzen. De auteur licht zijn standpunt toe in een gedetailleerde inleiding. Het resultaat van zijn analyse is een nota die hij editeert maar waar de Belgische geschiedkundigen gewoonlijk geen oog voor hebben. De titel luidt: ‘En cas de guerre, que ferons-nous?’. De tekst werd in november 1911 opgesteld door Léon Arendt, algemeen directeur Beleid op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een heel eind vóór 1914 immers kregen de overheden regelmatig kennis van de bedreiging van een grote oorlog en een invasie. De nota geeft weliswaar het standpunt van de auteur weer, maar dat wordt gedeeld door de andere leden van het ministerie. Het ‘systeem’, om het woord over te nemen dat Arendt zelf gebruikte, steunde op een ideaal van permanente neutraliteit. In 1912 aanvaardde de regering de belangrijkste punten van het plan. De ideeën van Arendt hadden dus een grote invloed op het beleid van het land tijdens de ministerraden in het begin van augustus 1914 en met name tijdens de ministerraad op de 4de dag van die maand. In tegenstelling met wat sommigen beweren, was de rol van de ministers van Staat verre van doorslaggevend tijdens de ministerraad van 2 augustus. Ze werden slechts voor de vorm geraadpleegd. Niet de Koning maar het ministerie was de grote bezieler van de politiek van neutraliteit, nog vóór het uitbreken van de oorlog.
In de jaren 1930 nam de internationale spanning voelbaar toe. In Duitsland won het nationaalsocialisme steeds meer macht. Anderzijds hadden België en Frankrijk in 1920 een geheim militair akkoord gesloten. Frankrijk beschouwde dat akkoord als een echt alliantieverdrag dat aan zijn legers, in geval van nood, het recht van doorgang op het Belgisch grondgebied verleende. Ook andere bepalingen van de overeenkomst gaven aanleiding tot afwijkende interpretaties. Om te voorkomen dat het land ondanks zichzelf werd meegesleurd in een militair optreden, was baron Van Zuylen, algemeen directeur Beleid op het ministerie van Buitenlandse Zaken, ervan overtuigd dat België over een nieuw internationaal statuut moest beschikken. Dit statuut zou het voor België mogelijk moeten maken zijn eigen buitenlands beleid te voeren, gekenmerkt door niet-gebondenheid. In de studie die hier wordt voorgesteld en die gepaard gaat met de editie van dertig documenten heeft Gustaaf JANSSENS (Paul-Henri Spaak en het begin van de Belgische onafhankelijkheidspolitiek (1936-1937), p. 259-391) heel bijzonder aandacht voor drie nota’s die de jonge socialistische minister van Buitenlandse Zaken aan koning Leopold III richtte. Deze rapporten, die in het Archief van het Koninklijk Paleis worden bewaard en tot vandaag zo goed als werden genegeerd, illustreren de visie van de minister op de internationale positie van België. Ze belichten tevens de wijze waarop de Koning, met zijn diplomatieke raadgevers, en de Eerste Minister vorm hebben gegeven aan dit onafhankelijkheidsbeleid en de prioriteiten daarvan heeft bepaald. 